Ontwikkelingspsychologie

24fc90296432f0ff74817f5519a35fea

Visies op ontwikkeling

1. Psychodynamische visie= Freud en Erikson
Gaat uit van innerlijke krachten, herinneringen en conflicten.

Freud
Psychoanalytisch model; onbewuste krachten zijn bepalend voor iemands persoonlijkheid en gedrag.
Drie aspecten, namelijk het id(onbewuste krachten, verlangen), ego(driften) en superego(geweten, normen en waarden).
Psychoseksuele ontwikkeling: oraal(basisbehoeften vervullen, 0-12 maanden), anaal(ontlasting ophouden, 12 maanden – 3 jaar), fallisch(interesse voor genitaliën, 3 tot 5 jaar), latentie(rustige periode, 5 tot 12 jaar) en genitaal(volwassen seksuele relaties, vanaf 12 jaar). Ontwikkeling is ongeveer compleet als de adolescentie is bereikt.

Erikson
Psychosociale theorie; nadruk op sociale interactie.
Acht aparte stadia, in elk stadium een crisis dat het individu moet oplossen. De eerste vier stadia zijn:
– Vertrouwen wantrouwen (0-18 maanden)
– Autonomie schaamte/twijfel (18 maanden – 3 jaar)
– Initiatief schuld (3-6 jaar)
– Vlijt minderwaardigheid (6-12 jaar)

2. Behavioristische visie= Watson, Skinner en Bandura
Gaat uit van waarneembaar gedrag en externe stimuli.

Watson
Klassieke conditionering; een organisme leert op een bepaalde manier reageren op een neutrale stimulus die die respons normaal gesproken niet uitlokt. Pavlov hoort ook bij deze theorie. Stimulus -> respons, oftewel prikkel -> antwoord.

Skinner
Operante conditionering; een vorm van leren waarbij een vrijwillige respons versterkt of verzwakt wordt doordat die respons wordt geassocieerd met positieve of negatieve consequenties. Gedragsmodificatie(gedrag bekrachtigen), reinforcement, belonen/straffen.

Bandura
Sociaalcognitieve leertheorie; leren door gedrag te observeren. Stappen hierin zijn het waarnemen, herinneren, reproduceren en uitvoeren.

3. Cognitieve visie= Piaget, informatieverwerkingstheorie
Van binnen voorstellen en erover nadenken.

Piaget
Cognitieve ontwikkelingstheorie; er zijn schema’s in de hersenen, ook wel georganiseerde mentale patronen genoemd. Assimilatie(mensen interpreteren ervaring in huidige denkwijze) en accommodatie(verandering van denkwijze). Vier stadia: sensomotorisch(0-2 jr), preoperationeel(2-7 jr), concreet operationeel(7-12 jr) en abstract operationeel(12 jr en ouder).

Informatieverwerkingstheorie
Hoe nemen mensen informatie op, gebruiken het en slaan het op? Basisprincipes: codering(informatie wordt opgenomen in een vorm die bruikbaar is voor het geheugen), opslag(onderhouden van het opgeslagen materiaal) en retrieval(materiaal wordt gelocaliseerd, naar bewustzijn gebracht en gebruikt).
Autobiografisch geheugen is niet nauwkeurig voor het derde levensjaar, dit wordt ook wel infantiele amnesie genoemd. Alle zintuigen inschakelen. Metageheugen= iets zeggen over je eigen geheugen. Metacommunicatie= over jezelf of je manieren iets kunnen zeggen.

4. Evolutionaire visie= Lorenz
Genetische erfenis en Charles Darwin.

Lorenz
Erfelijkheid, hoe erven mensen gedragskenmerken? En in hoeverre bepaalt de omgeving of die kenmerken zich wel of niet ontwikkelen?

5. Contextuele visie= Vygotsky en Bronfenbrenner
Relaties tussen individu en fysieke, cognitieve, persoonlijke en sociale wereld.

Vygotsky
Socioculturele theorie; nadruk op sociale en culturele wereld, interactie is erg belangrijk.
De zone van naaste ontwikkeling betekent dat een kind bijna iets zelf kan doen maar hier nog hulp bij nodig heeft van een competenter persoon. Scaffolding= supporting, instructies geven. Het verloop van de cognitieve ontwikkeling is een resultaat van de interacties tussen leden van een cultuur. Metalinguïstisch bewustzijn= over je eigen taal oordelen.

Bronfenbrenner
Bio-ecologisch model; vijf omgevingsniveaus die elk biologisch organisme tegelijkertijd beïnvloeden.
Microsysteem(dagelijkse omgeving, gezin), mesosysteem(connecties tussen verschillende aspecten microsysteem), exosysteem(algemene invloeden, sociale instituties, omgeving), macrosysteem(maatschappij, overheden, kerk, politiek) en chronosysteem(tijd waarin je leeft).

—-

Er zijn vier opvoedstijlen: autoritair, permissief, ondersteunend en onverschillig.
Autoritair= streng, vaak straf, strikte gehoorzaamheid.
Permissief= vage feedback, weinig eisen, kinderen zijn niet verantwoordelijk.
Ondersteunend= relatief streng, liefdevol, emotionele ondersteuning, verklaren van straffen, stimuleren onafhankelijkheid.
Onverschillig= geen belangstelling, emotionele afstandelijkheid, geven van voeding, kleding en onderdak.

Er zijn vier vormen onderwijs: multicultureel model, pluralistisch model, bicultureel model en assimilatie model.
Multicultureel model= leerlingen uit minderheidsgroepen helpen met competentieontwikkeling in de cultuur van de meerderheidsgroep, met behoud van positieve groepsidentiteit van de oorspronkelijke cultuur.
Pluralistisch model= samenleving die bestaat uit diverse gelijkwaardige groepen die hun individuele kenmerken moeten behouden.
Bicultureel model= integreren in de cultuur van de meerderheid met het behoud van je identiteit.
Assimilatie model= individuele culturen moeten worden samengevoegd tot een unieke eenheidscultuur.

Vier belangrijke vraagstukken ontwikkelingspsychologie:

1. Continue verandering – discontinue verandering
2. Kritieke periode – gevoelige periode
3. Levensloop – bepaalde periode
4. Nature – nurture

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s